|
Hoofdpagina |
|
|
|
|
|
Vervolgconferentie: zaterdag 13 februari 2010
Thema: exegese
Genesis 1-11. 1. Zijn er Bijbelse argumenten om
Genesis 1 niet letterlijk (als historische dagen) maar metaforisch
(allegorisch, poëtisch enz.) te lezen? 2. Valt Genesis 1 sluitend te
exegetiseren? Met name Genesis 1: 1,2 en de vierde scheppingsdag. 3. Welk model van de
aardgeschiedenis past het best bij Genesis 1- 11: jonge aarde, jonge
schepping (van het leven); oude aarde, jonge schepping (van het leven); oude
aarde, oude schepping (van het leven)?
4. Laat Genesis 1 ruimte voor
theïstische evolutie: God schiep d.m.v. geleidelijke evolutie in miljoenen
jaren? 5. Laat Genesis 1 ruimte voor
progressief creationisme: een serie opeenvolgende, zelfstandige,
scheppingsperioden die ieder miljoenen jaren hebben geduurd. In elke
scheppingsperiode zouden dan aparte flora’s en fauna’s zijn geschapen. 6. Welke gevolgen heeft
theïstische evolutie voor ons beeld van ’een goede schepping’, de gevolgen
van de zondeval, het functioneren van de huidige natuur met z’n dood, ziekte,
lijden en natuurgeweld? 7. Laat Genesis 1 ruimte voor de
idee dat er voor Adam en Eva in het paradijs al honderdduizenden jaren tot 2
miljoen jaren (afhankelijk van welke fossielen je als eerste mensen beschouwt) lang mensen op
aarde leefden? 8. Hoe lees je de
geslachtsregisters van Genesis 5 en 10: open, gesloten-als-leeftijden of
gesloten-als regeerperioden? 9. Is het mogelijk om een
Bijbelse chronologie op te stellen van Adam t/m Abraham? Thema:
wetenschapsfilosofie. 1. In welke mate kan wetenschap
leiden tot objectieve kennis? 2. Is er in dit opzicht nog
verschil tussen hier-en-nu (operationele) wetenschap en oorsprongswetenschap?
Zijn er bijvoorbeeld verschillen qua methodiek en invloed van subjectieve
factoren (zoals het wereldbeeld van de onderzoeker) op de theorievorming? 3. Is creationisme als
Bijbelgetrouwe oorsprongswetenschap mogelijk en gelijkwaardig aan
naturalistische oorsprongwetenschap? 4. Mag je de Bijbel bij
oorsprongwetenschap betrekken? Thema evolutie van de
mens. 1. Wijzen de fossielen van
hominiden (mens/aapachtigen) op geleidelijke ontwikkeling van mensen uit een
gemeenschappelijke aapachtige voorouder? Of pleiten deze fossielen voor
discontinuïteit: aapachtigen versus mensachtigen? 2. Hoe groot zijn de genetische
verschillen tussen chimpansee en mens en wijzen deze verschillen op een
gemeenschappelijke voorouder? 3. Is geleidelijke evolutie van
de mens uit een aapachtige voorouder mogelijk/waarschijnlijk? 4. Wat is de betekenis van
fossielen als de Australopithecus, Ardipithecus, Homo habilis, Homo erectus,
Homo Neanderthalerensis, Homo Floresiensis, Ida? In welke relatie staan deze
fossielen t.o.v. de mens? 5. Hoe interpreteer je deze
fossielen vanuit een Bijbels perspectief?
Zijn het pre-Adamieten, of passen deze fossielen in een korte Bijbelse
chronologie? Thema aardlagen en
fossielen. 1. Zijn de radiometrische
dateringen betrouwbaar en geldig? Op
welke vooronderstellingen zijn ze gebaseerd? En hoe plausibel zijn die? 2. Hoe verklaren creationisten de
gemeten isotoopverhoudingen binnen een kort chronologisch model van de
aardgeschiedenis? 3. Wat zijn de voornaamste
kenmerken (facies) van de fossieldragende aardlagen op de continenten qua
samenstelling, volgorde, oorsprong, afzettingsmilieu, afzettingssnelheid,
fossielinhoud? 4. Pleiten de aardlagen op de
continenten voor een lang-chronologische of een kort-chronologische
ontstaansgeschiedenis? 5. Hoe zijn de fossielen en hun
volgorde in de aardlagen ontstaan? 6. Wijst de volgorde van de
fossielen in de aardlagen op (geleidelijke) evolutie? 7. Is er een alternatieve duiding
van het fossielenarchief mogelijk? Bijvoorbeeld in termen van
achtereenvolgende catastrofes en daaropvolgende migraties? 8. Welke modellen zijn er ter
verklaring van het ontstaan van gebergten? Wijzen de morfologische kenmerken
van gebergten op een snelle
(catastrofistische) of langzame
(actualistische; uniformitarianistische) vorming? 9. Hoe wordt de platentektoniek
verklaard binnen een kort-chronologische en een lang-chronologische visie op
de aardgeschiedenis? Wat zijn de argumenten die voor deze alternatieve
mechanismen pleiten? Thema
evolutieprocessen. 1. Welke modellen zijn er ter
verklaring van het ontstaan van het leven op naturalistische wijze? Wat is de
verklaringswaarde en plausibiliteit van deze modellen? 2. Hoe wordt de evolutie van
prokaryotisch leven naar eukaryotische leven verklaard? Wat is in dit verband
de verklaringswaarde en plausibiliteit van de endosymbiose theorie? 3. Welke (fossiele en genetische
) bewijzen zijn ervoor de evolutie van eencelligen (bacteriën en algen) naar metazoa( meercellige dieren)? 4. Hoe plausibel is het evolutie
mechanisme dat toevallige puntmutaties (eventueel gecombineerd met gen of
chromosoomduplicatie) tot nieuwe biologische informatie leidt waardoor nieuwe
biologische eigenschappen en structuren ontstaan? Zijn er voorbeelden van dit
type winstmutaties (of zijn alle mutaties schadelijk, neutraal of hebben ze
hooguit een gunstig bijeffect) ? En kan het mechanisme van geleidelijke
accumulatie van toevallige puntmutaties het ontstaan van volledig nieuwe
biologische structuren (longen, vleugels, ogen enz) – d.w.z. macro-evolutie -
verklaren? 5. Wat is de betekenis van recent
ontdekte genetische veranderingsprocessen zoals gedifferentieerde
genexpressie door microRNA’s, tandem repeats, transposons, hervs,
epigenetica, reshuffling van genen en duplicatie van genen of
chromosomen? Wat is het
veranderingspotentieel van deze mechanismen: alleen snelle soortvorming (mede
als aanpassing aan veranderende milieuomstandigheden) binnen bestaande
families of geslachten van organismen (d.w.z. micro-evolutie)? Of kunnen deze
mechanismen ook resulteren in fundamenteel nieuwe bouwplannen (dus geheel
nieuwe typen van organismen = macro-evolutie)?
|
|
|
|
|